Mandy van Goeije boven een stapel poëziebundels
Zo’n 40 van de 75 centimeters poëzie

Op het moment heb ik behoorlijk wat aan mijn hoofd. Zo gaat dat soms in het leven. Beter dan je af te vragen hoe je dat kunt voorkomen, is de vraag ‘hoe ga je daar mee om?’. Van een dag kniezen, voel je je niet beter. Van doen alsof ‘het’ niet bestaat en het wegdrukken ook niet. Wat voor mij het beste werkt, is bezig zijn. Wandelen, vrienden opzoeken, koken en aan de slag gaan met taal en beeld.

Als het leven rustig voortkabbelt, kan ik hele epistels schrijven en ingewikkelde literatuur voor mijn boek bestuderen. Maar met een vol hoofd, lukt dat niet. Het was dus even zoeken naar ‘wat dan’? Maar ik vond het. In gedichten. In beknopte tekst en in de beknopte tekenstijl die daar voor mij bij hoort.

Je kunt boeken vol schrijven, maar hoe vaak gebeurt het niet dat duizenden woorden nog niet zeggen wat echt van belang is? Het schrijven van een gedicht gaat juist om het vangen van de essentie – een gevoel, een beeld of een gedachte. En dat doe je doorgaans in een beperkte hoeveelheid woorden. Het grappige van een gedicht is daarmee voor mij dat de beperking van de hoeveelheid tekst ruimte creëert om de essentie te vinden. En dat is heerlijk als je veel gedachten en veel gevoel kwijt moet.

Ik schrijf momenteel graag Tanka’s, de iets uitgebreidere versie van de haiku. Ze bestaan uit vijf regels van 5, 7, 5, 7 en 7 lettergrepen en ze hoeven niet te rijmen. Ik teken er visuele Tanka’s bij – eenvoudige lijntekeningen die ik kleur met hooguit vijf vaste kleuren. Het is heerlijk om te doen. De eerste Tanka’s van de dag zijn meestal mijn kotsbakje voor kopzorgen. Als die er eenmaal uit zijn, begint de creativiteit te stromen en vloeien er nieuwe ideeën uit mijn pen. Ik kan me nog zo rot voelen, maar als ik ‘s avonds door mijn Tanka’s van de dag blader, word ik blij.

Voorbeeld van een tanka in woord & beeld © Mandy van Goeije

Soms raak ik zo op dreef in het schrijven van de Tanka’s dat meer woorden zich aandienen. Dan pak ik een ander schrift en schrijf ik langere gedichten. Als mijn brein eenmaal in standje ‘dichten’ staat, teken ik vaak niet meer. Dan vertalen de beelden in mijn hoofd zich in woorden op papier.

Eén vraag hield me vorige week ernstig bezig: wanneer is een gedicht nou een goed gedicht? Poëzie is ontzettend subjectief. Ik heb een hele stapel boeken waarin staat wat een gedicht goed maakt. Maar het blijft moeilijk om mijn eigen werk daar aan te toetsen. Ik deed wel eens mee met poëziewedstrijden. En ik heb wel eens gewonnen. Dat was fijn, want het is leuk om voor jezelf te schrijven, maar het is nog leuker als een ander er van mee kan genieten.

Ellen Deckwitz zegt in haar boek over het schrijven van gedichten dat om te weten wat een goed gedicht is, je er heel veel moet lezen. Daarom besloot ik een paar dichtbundels te kopen. Het werd 75 centimeter poëzie van Toon Hermans tot Ilja Leonard Pfeiffer en van Annie M.G. tot W.H. Auden. Tja, ik sloeg een beetje door. Toen ik op Marktplaats een complete collectie te koop zag voor een tientje en ik in de ruil- en kringloopwinkel nog twee stapeltjes tegen kwam, was ik verkocht.

Hoe heerlijk is het om te lezen dat een ander zich ooit ergens net zulke zorgen maakte als ik. Het maakt dat ik me minder alleen voel. En wat fijn te zien hoe mooi die zorgen kunnen worden verwoord zodat ze herkenbaar en toegankelijk worden. En wat nemen sommige gedichten me heerlijk mee op reis naar ‘weg van mijn kopzorgen’. Het liefst lees ik ze hardop voor om luidkeels te laten gebeuren hoe sommige dichters me raken.

Let wel, sommige dichters. Lang niet allemaal. Er zijn er die ten onder gaan in geliteratureluur. En er zijn er die oer en oerslecht schrijven en die door de eigen-beheer uitgevers niet tegen zichzelf in bescherming zijn genomen. En we hadden zowaar ook een pornopoëzieboekje. Daar hebben we dan met z’n allen aan tafel smakelijk om gelachen.

Of er bruikbare toetsstenen in de 75 centimeter poëzie zitten? Ik heb geen idee. Ik heb nog maar het topje van deze boekenberg ingezien. Wat ik er tot dusver van heb geleerd, is misschien dat ik het liefst via een uitgever zou publiceren om indien nodig tegen mezelf in bescherming genomen te worden. Ik heb namelijk inmiddels wél geleerd wat slecht geschreven poëzie is. En dat Annie M.G. potverdikke toch een heerlijke schrijfster is. Dat ik graag Afrikaans lees en dat ik val op de pompeuze woorden van llja Leonard Pfeiffer. En dat ik danig respect heb voor hoe goed sommige dichters kunnen schrijven over onmogelijke onderwerpen als marteling in het boekje van Amnesty International.

Of dit alles mij gereedschap in handen geeft om mijn eigen werk te kunnen beoordelen en me verder te ontwikkelen, valt nog te bezien. Maar wat vaststaat is dat ik méér gereedschap nodig ga hebben. Ik moet namelijk met spoed een nieuwe boekenplank boven mijn schrijftafel ophangen. Eén van 75 centimeter.